Menno Woudt

Hét publiek bestaat niet

Een speelfilm, een theaterstuk, een expositie of zelfs met re-enactment: de geschiedenis is op allerlei wijzen te presenteren. In Kernvak Publieksgeschiedenis zijn de voor- en nadelen en de (on)mogelijkheden besproken van vormen om ‘het publiek’ te bereiken. De lastige vraag blijft echter: wie ís dat publiek toch?

Met zo’n half miljoen kijkers per aflevering is Verborgen Verleden, waarin een bekende Nederlander op zoek gaat naar zijn of haar familiegeschiedenis, een succesvol voorbeeld van publieksgeschiedenis. Maar wie zijn die mensen die ernaar kijken? Op een bijeenkomst van de Alumnikring Publieksgeschiedenis op 27 september 2018 gaf eindredacteur van het programma Jan van Holsteyn inzicht in het kijkerspubliek. De NPO hanteert daarbij ‘leefstijlgroepen’. Bij Verborgen Verleden zijn de zogenoemde ‘traditionele streekbewoners’ en de ‘betrokken gelovigen’ oververtegenwoordigd. En de gemiddelde leeftijd van deze kijker, die bedroeg maar liefst zestig jaar.

Verborgen Verleden mag dan een succes zijn, het is wel een succes voor een select, relatief oud, ‘traditioneel’ en ‘betrokken’ publiek. De kans dat dit publiek ook een historisch getint videospel als Assassin’s Creed of Age of Empire speelt is daarentegen juist weer bijzonder klein: de gemiddelde gamer is met 33 jaar een stuk jonger.

Musicalhater of boekenwurm

En zo heeft elk medium, of nog concreter, elk publiekshistorisch product, een eigen publiek. Een musicalhater zal niet zo snel naar Soldaat van Oranje gaan, terwijl een boekenwurm eerder een historische roman leest. De kans dat een kind van elf naar Welkom in… kijkt (misschien wel eerder op YouTube dan op tv), is weer groter dan dat deze het erfgoed in de omgeving bestudeert.

Het percentage Nederlanders dat jaarlijks weleens een museum, bioscoop of theater bezoekt. Bron: CBS, 2007.

Bovendien is het goed om te beseffen dat het publiek niet overal is. Volgens (ietwat gedateerde) cijfers van het CBS bezoeken drie op de vijf Nederlanders jaarlijks weleens een museum. De andere kant van de medaille: twee op de vijf Nederlanders komt er nooit. Een kleine driekwart van de Nederlanders bezoekt niet elk jaar een theaterstuk.

Verschillende publieken, verschillende media

Een publiekshistoricus heeft niet te maken met één publiek, maar verschillende publieken, die op verschillende manieren bereikt dienen te worden (Scarpino, 1994). Vanuit theoretisch, academisch perspectief is misschien het enige medium geschikter dan het andere. Afgaande op het onderzoek van Rosenzweig en Thelen (1998) zouden musea bijvoorbeeld meer betrouwbaarheid uitstralen dan een historische film of tv-serie.

Moet een publiekshistoricus dan, als het even kan, liever een museale expositie opstellen dan een historische speelfilm maken? Ik denk van niet. Het publiek bepaalt tegenwoordig steeds meer zelf welke media zij aanwendt, wat zij ermee doet, in welke vormen en in welke mate (Katz, Blumler & Gurevitch, 1973). Juist door verschillende media in te zetten, kun je telkens een ander publiek bereiken.

The medium is the message

Bovendien heeft elk medium zijn of haar eigen kracht. Mediawetenschapper McLuhan (1964) verwoordde het krachtig: the medium is the message. De manier waarop informatie wordt gepresenteerd, is bepalend voor de beeldvorming en de bewustwording. Een historische roman prikkelt andere zintuigen dan een historische speelfilm: bij de een wordt je fantasie gestimuleerd, bij de ander zie je het meteen voor je. Die verschillen sluiten weer aan op de verschillen binnen het publiek.

Geen goed of fout

Er is niet één publiek. Er is niet één geschikt medium. In de veelvoud hiervan ligt de complexiteit, maar ook de kracht. Een tv-serie over Willem van Oranje is misschien historisch minder accuraat dan een uitgebreide tentoonstelling. Maar een tentoonstelling trekt misschien weer niet het publiek dat wél die serie zou kijken, en laat mogelijk ook een heel ander beeld achter. Daarbij is er geen ‘goed’ of ‘fout’.

Misschien hoef je als publiekshistoricus ook niet met elk project ‘een zo breed mogelijk publiek’ te bereiken – het is immers praktisch onmogelijk. Als je maar weet wié, en hoé je ze wilt bereiken, dan is het goed.

Dit artikel is geschreven voor de masteropleiding Publieksgeschiedenis, Universiteit van Amsterdam 2018-2019

Verwezen naar

Katz, E., Blumler, J.G. & Gurevitch, M. (1973). Uses and gratifications research.Public opinion quarterly, 509-523.

McLuhan, M. (1964). Understandig media. The Extensions of Man. New York: McGraw Hill.

Rosenzweig, R. & Thelen, D. (1998). The Presence of the Past. Popular Uses of History in American Life. New York: Columbia University Press.

Scarpino, P.V. (1994). Common ground: reflections on the past, present, and future of public history and the NCPH. The Public Historian, 16(3), 11-21.

Verder Bericht

Vorige Bericht

© 2021 Menno Woudt

Thema door Anders Norén